|
Rondreis Kleine Soenda eilanden
Tocht naar de Komodovaranen
Jo en Rita de Wilt, 20-11-2005
We moeten om 4.30 opstaan, want om 5.10 uur vertrekt onze boot
naar Rinca, een van de Komodo-eilanden. Als de boot ronkend wegglijdt
uit de haven, krijgt de ochtendlucht alle kleuren rood. Alle tekort
gekomen slaap zijn we dan snel vergeten. Via allerlei kleine en
grotere eilanden vaart de boot in een overzichtelijk tempo naar
Nationaal park Komodo. Op dit tochtje hebben we ons heel erg verheugd
en het gaat dan ook echt een hoogtepunt worden.
Om 7.30 uur leggen we aan bij de aanlegsteiger van Rinca; onderweg
hebben we koffie gedronken en enkele heerlijke zoete bananen als
ontbijt gegeten. De bootsjongen loopt met ons mee om eventuele
Komodo Dragons (Komodo varanen) met een tweepuntige stok van het
lijf te houden. We zien nog geen enkele varaan. Gewone varanen
zijn overigens ongevaarlijke beesten; al kunnen die ook heel groot
worden.
 Bij
het loket betalen we 124.000 rp (11 euro) als entree; (achteraf)
volgens ons 4 euro te veel, want de hoofdranger heeft ons de gids
dubbel laten betalen. Maar goed. Onze gids is twintig jaar en
beheerst het Engels zodanig, dat je een goed gesprek met hem kunt
hebben. Met veel enthousiasme laat hij ons meteen twee mannetjes
varanen zien, die bij het hoofdkwartier liggen te zonnen. Ze kijken
niet op of om. Het zijn grote dieren; 3 meter lang; de kleine
ogen volgen je overal. Ze maken geen aanstalten om aan te vallen;
ze hoeven ook maar een keer in de maand te eten. Een flinke aap,
een wild varken of een hert verzwelgen ze dan met gemak.
Er lopen in het park ook een aantal buffels en paarden. De varaan
valt de buffel/paard aan en geeft hem een beet. Deze beet is na
een uur onherroepelijk dodelijk, omdat dieren (en ook mensen)
geen enkele weerstand hebben tegen de bacteriën in de bek
van de varaan. De varaan wacht rustig tot de buffel/paard dood
is, en begint daarna te eten. De andere varanen komen op de lucht
van het bloed af en samen (ongever 10 varanen) smikkelen de buffel
op. De rangers leggen de schedel neer op de plaats waar de buffel
gedood is. Er is pas een keer een mens opgegeten door een varaan;
hij was alleen op onderzoek uitgegaan; ze hebben later alleen
de bril en de camera teruggevonden.
Het eerste halfuur vraag je je wel af, of een van de varanen vandaag
toevallig niet heel erge honger heeft. Daarna verdwijnt dat gevoel,
want de gids houdt de beesten heel erg goed in de gaten. Hij ziet
of ze hongerig zouden kunnen zijn. Met zijn tweepuntige stok kan
hij de neus van de varaan raken; dat is het gevoeligste plekje
van de varaan. De varaan is in staat om een groot dier met een
klap van zijn poot te doden. En......ze zijn als ze aanvallen
razendsnel; vergelijkbaar met krokodillen.
Op Rinca zitten de meeste varanen; op dit moment zijn er 1300
geteld (en gestempeld op de staart). We zien er vandaag 12. En
dat schijnt heel veel te zijn. De vrouwtjes zijn (ook hier) wat
slanker, kleiner en wat eleganter dan de mannetjes. Je kunt tot
ongeveer 10 uur ’s morgens varanen zien; daarna worden ze
inactief en zijn ze bijna niet meer te vinden. Toch worden er
overdag gewoon tochten gelopen.
Het is echt fascinerend om oog in oog te staan met deze oer-lelijke,
prehistorische beesten. We wandelen in twee uur ruim 5km door
dit uitgestrekte eiland-park. Rinca en Komodo bestaan voor een
groot deel uit dor en droog gebied, maar er zijn ook savannen
en gebieden met een dichte onderbegroeiing. Hier vind je de eierennesten
van de varanen, die door de vrouwtjes met hun leven beschermd
worden, want de mannetjes houden wel van een mals eitje.
We zijn er diep van onder de indruk. Echt een wereldervaring.
Laten we hopen dat dit gebied zo kan blijven; het schijnt dat
het vlees van een varaan echt oneetbaar is en van zijn huid kunnen
geen tasjes gemaakt worden.
Om 10.30 uur stappen we weer op onze boot. Die vaart ons naar
een eiland, waar aan de kust veel koraal te vinden en te zien
is. Om 12.00 uur zijn we er en ondertussen heeft de kapitein ook
nog voor ons een heerlijke lunch voorbereid.
We snorkelen tot 15.00 uur. Hier zien we kleurrijke, gevarieerde
koraal met een enorm aantal soorten vissen met de meest prachtige
kleuren (die we overigens wat later op de markt aangeboden zien
worden voor consumptie). Toch heeft het koraal hier ook veel te
lijden gehad van de ankers en de kunstmestbommen; hiermee doden
ze eerst kleine vissen; deze kleine vissen vormen het aas voor
grote vissen, die vervolgens ook met een fles kunstmest met een
lont gedood worden en daarna opgeschept.
Om 15.00 uur wordt het water heel snel troebel; slecht weer op
komst. De kapitein geeft het teken dat we onmiddellijk terug gaan
varen. Na 10 minuten plenst het op zee. De regen zorgt voor een
heerlijke verkoeling, zeker omdat je op zo’n dag door de
zon wel wat geschroeid bent. Maar de regen is een bijzondere ervaring
op volle zee. Als we in de haven aankomen, schijnt de zon alweer.
In Labuan Bajo is het door de langdurige regenbui echt een puinhoop
geworden. De straten liggen nu echt vol modder en bergen afval,
dat is weggedreven uit de open riolen en irrigatiekanalen. Het
lijkt wel of een vuilniswagen zijn lading op straat heeft neergegooid.
Deze rommel blijft gewoon liggen; ook een kokospalm die is omgewaaid.
Iedere auto of bromfiets rijdt er soepeltjes over- en doorheen.
Niemand steekt een hand uit om iets op te ruimen. De volgende
dag is een groot deel van de rommel al weer naar de kant toe gereden.
Labuan Bajo is een vissersplaatsje met één hoofdstraat.
Hier begint eigenlijk de Floresweg van 700 km lang die door de
Nederlanders in 1920 is aangelegd. De weg overbrugt een afstand
van zo’n 325 km. Er zitten met een paar rechte stukken van
rond de 400 meter in deze weg; verder is het bocht na bocht, berg
op berg af. Voor motorrijders schijnt dit een feest te zijn.
In Labuan Bajo staan aan de kust een groot aantal traditionele
vissershuisjes; rondom de hoofdstraat vind je kleine restaurantjes,
hotelletjes, toeristenbureautjes en wat straatwinkeltjes en bedrijfspanden.
Het lijkt (het schijnt echt zo te zijn) dat een groot deel van
de bevolking geen of alleen maar los werk heeft. Voor veel mensen
is het sappelen om ’s avonds iets te eten te hebben. Terwijl
er eigenlijk werk genoeg is; maar voor onderhoud en herstel is
geen geld en de mensen van Flores hebben hiervoor echt geen enkele
belangstelling. Als een huis of hotel vandaag ingericht is, dan
is het over 10 jaar nog precies hetzelfde; alleen is er dan van
alles kapot, smerig en versleten. Volgens onze chauffeur (komt
zelf uit Labuan Bajo ) is dit gewoon de mentaliteit van de mensen;
alleen de dag van vandaag bestaat. Overdag hangt er heel veel
jeugd van rond de 20 op straat, te voet of rondscheurend op de
brommertjes. Verder hebben we in dit overwegend Islam-dorp vier
moskeeën geteld. De imans doen enorm hun best om heel goed
gehoord te worden, 5 keer per dag en niet samen met een andere
iman; dus dat is zo’n 20 keer per dag en alleen in het Arabisch!
Kenners hebben ons verteld dat de Islamitisering van Flores in
volle gang is; liepen er enkele jaren geleden slechts in paar
vrouwen in een burka, nu neemt het bijna wekelijks toe. Hoewel
Flores overwegend katholiek is, zijn de bewoners van Labuan Bajo
en de plaats Ende aanhangers van de Islam. In de meeste plaatsen
vind je hier een katholieke kerk, veel priesteropleidingen, die
gevestigd zijn in de gebouwen van de vroegere missieposten.

|
|