Op reis met Travelmarker Reizen

Rondreis Kleine Sunda-eilanden

Bezoek aan dorpjes rond Tetebatu, naar Labuan Pandan

Jo en Rita de Wilt, 16-11-2005

Rita is vanmorgen opgestaan met een flinke diarree; waarschijnlijk ten gevolge van het eten van een stukje komkommer dat in kraanwater is gewassen of gesneden is met een mes, waarmee de rauwe kip in stukjes wordt gehakt. In de loop van de ochtend gaat het weer wat beter en om 11.00 uur is ze in staat om richting Pringasela te gaan. De geplande wandeling van vanmorgen hebben we laten vervallen.

Onderweg stoppen we bij een pottenbakkerij. Alle schalen en potten vervaardigen ze van zware, donkerbruine klei. Ze gebruiken hiervoor geen draaischijf; alles wordt met de hand gemaakt. Een meisje is bezig met een bestelling van 100 dezelfde, rechthoekige asbakken; ze maakt er zittend op de knieën vijfentwintig per dag. En dat voor een maandsalaris van 250.000 rp (22 euro). Dit is zo beetje het gemiddelde maandinkomen op het eiland.

Vroeg in de middag komen we aan in Pringasela. Het centrum van de Ikatweverijen. Vrouwen weven zo’n zeven uur per dag, zittend op de grond met het weefgetouw op de knieën. De gespannen draden vertonen een kleurenpatroon (en dat is het verschil met gewoon weven) en ook de inslagdraden wijzigen regelmatig van kleur. Het product is een zeer dicht geweven stof van 5m bij 65 cm, nauwelijks te onderscheiden van machinekwaliteit. Zo’n lap is vijf tot zeven weken werk. Volgens onze informatie zouden deze verkocht worden voor 3 tot 5 euro per stuk (aan de mensen van Lombok). Aan toeristen schijnen ze ongeveer 100 euro te vragen. Dat hebben we niet willen controleren. De wevende vrouwen maken deel uit van de ‘korporasi’, die zorgt voor de ontwerpen, de aanvoer van de materialen en de verkoop.

Na een boeiende rondleiding door het weversdorpje, dat enkele jaren geleden gerenoveerd is door Humanitas (stenen huizen, elk huis een toilet en elke drie huizen een waterput), rijden we naar een Sasakdorpje in de bergen. Door steeds droger worden gebieden rijden we de berg op. Het is alsof we geleidelijk het stenen tijdperk binnenrijden; in deze bergdorpjes wordt de traditionele cultuur heel sterk bewaakt. De mensen zorgen met de producten van hun velden voor de eigen voedselvoorziening; wat ze over hebben verkopen ze op de markt; en daar kopen ze wat ze tekort komen. De kinderen zijn min of meer in ‘moderne’ kleding gestoken, maar de ouderen dragen allemaal een sarong.

Via op en aflopende rotspaadjes vinden we onze weg door het dorpje. De mannen en vrouwen roken of kauwen op de betelnoten; de monden zijn donkerrood en de tanden zwart. Hoewel het in onze ogen primitief is, ziet het geheel er erg verzorgd uit. De huizen zijn, los van de grond, volledig gebouwd van bamboe en gevlochten rotan. De huizen aan de binnenzijde zijn ruim en hebben vaak nog een verdieping, waar de rijst wordt opgeslagen.

Na afscheid genomen te hebben van het dorpshoofd met de noodzakelijke fooi, rijden we naar hotel Matihari (woord voor zonnebloem). De naam doet in eerste instantie wat Nederlands aan. Dat klopt, want de eigenaar is een Nederlander; voorheen onderwijzer in Drunen). Met hem brengen we de avond gezellig door; hij laat ons af en toe ook de achterzijde van de Indonesische medaille zien. We slapen in een goed verzorgde cottage.

Tetebatu, wandeling naar apenbos Wandeling bij Senaru, naar Sengiggi

Travelmarker Reizen

 




IndonesiŽ

  Sumatra
  Java
  Bali
  Lombok
Gili Meno
Senaru
Sengiggi
Tetebatu
  Flores
  Sulawesi
  Kalimantan

| stuur deze pagina naar een kennis | | bezoek onze reisportal | bezoek ons reisbureau |

© 2013        Travelmarker Reizen BV